Luit Staghouwer april 3 2012
Beste natuurliefhebbers/-sters,
Dit is deel twee van het fotoverslag van dinsdag 24 april.

Zo te zien werd deze honingbij overvallen door een regenbui. Waarschijnlijk maken de waterdruppels het opvliegen voorlopig tot een bijna onmogelijke opgave.

Deze werkster had meer geluk, zij kon zich ongestoord bezighouden met haar taak: het verzamelen van stuifmeel.

Veel kastanjes hebben al blad en hier en daar zie je al het begin van bloei. Bij deze (jonge) kastanje waren alleen nog maar opengaande knoppen te zien.

Langpootmuggen zijn gemakkelijk te herkenen aan hun slanke, fragiele lichaam, lange vleugels en lange, draderige poten. Een ander belangrijk kenmerk van deze insecten is dat hun poten snel loslaten als ze in de val zitten of worden aangeraakt. Hun lichaam is bruin, zwart of grijs, vaak met een gele, oranje of lichtbruine tekening en bovenaan het borststuk is duidelijk een V-vormige groef te zien.
Grote langpootmuggen rusten met hun vleugels gespreid, terwijl kleinere soorten hun vleugels achterwaarts langs hun lichaam vouwen.

In de periode april-oktober is deze grote (9-13 mm), glanzend zwarte vlieg met oranje gekleurde vleugelbases en evenzo gekleurd “gezicht” (gedeelte tussen de ogen onder de voelsprieten) een vrij algemeen voorkomende soort. Maar je zult de schorsvlieg vaker zien op zandgronden bij bosranden dan op de Groningse klei.

Dit mannetje van de rosse metselbij heeft bezoek van enkele tientallen mijten. Mijten zijn er in heel veel soorten. Men onderscheidt meer dan 45.000 soorten in 546 families waarvan er ca. 2500 in het water leven en 10.000 parasitair zijn. Men schat dat het grootste deel van de mijtensoorten nog niet wetenschappelijk beschreven is. Ze verschillen in lichaamsvormen en leefwijze soms sterk van elkaar. Mijten zijn erg nauw verwant aan spinnen, het zijn allemaal “achtpotigen”. De wijfjes leggen eieren waaruit jongen tevoorschijn komen. Deze jongen hebben in het eerste larvestadium soms slechts 6 poten, het vierde potenpaar ontstaat pas na de eerste vervelling. Heel veel mijten leven als parasieten in of op andere dieren, van mensen tot insecten. Enkele soorten veroorzaken ziekten bij mens en dier. Mijten eten onder andere dode dieren, planten of rottende stoffen. Roofmijten leven vaak van andere mijten en worden wel in de kastuinbouw als plaagbestrijding ingezet.

Een sluipwesp.
Sluipwespen bezitten een legboor die aangepast is om zeer verschillende typen gastheren aan te prikken en er vervolgens eieren in, op of bij te leggen. De bouw en de grootte van de legboor is per soortengroep opmerkelijk verschillend. De larven van sluipwespen leven op of in andere insecten. Vooral rupsen zijn een favoriete prooi. De gastheren blijven in leven totdat de larven volgroeid zijn, maar worden tenslotte gedood. Sommige soorten sluipwespen spelen daarom een belangrijke rol in de biologische bestrijding van plantenziekten in kassen.
De soortenrijke familie telt wereldwijd enige honderdduizenden soorten, met meer dan 2000 vertegenwoordigers in Nederland en België.
Sluipwespen kunnen beter ruiken dan honden. Daarom wil men ze trainen als explosievenexpert of om lijken te vinden die onder de grond begraven liggen.

Dit zou een terrasjeskommazwever kunnen zijn, maar zoals gebruikelijk zijn er nog enkele zweefvliegen die er sprekend op lijken. De terrasjeskommazwever komt in geheel Europa voor. Het is een ongeveer 9 mm lange zweefvlieg. Deze soort wordt gekweekt omdat de larven van bladluizen leven en wordt vooral ingezet bij de teelt van chrysanten en spinazie. Onder gunstige omstandigheden produceert de vlieg bij ons wel 6 tot 7 generaties in één zomer. De hele levenscyclus gaat dan ook vrij snel. Al twee dagen na gelegd te zijn, kunnen de eitjes uitkomen. De larven doen vervolgens 10 dagen niets dan eten, gedurende welke tijd een larve wel 800 bladluizen aan kan. Dan gaat hij verpoppen. Reeds na 8 dagen komt er een nieuw vliegje uit de pop. En als zij een vrouwtje is, dan kan ze in haar hele leven wel tot 1.000 eitjes leggen! Geen wonder dus dat er mee gekweekt wordt voor de biologische landbouw.

Stamper en meeldraden van een tulp.

Het vosje is algemeen voorkomende solitaire zandbij die vliegt in de periode maart t/m juni.
Het vrouwtje is vrij groot (12-14 mm), heeft een dichte, vosbruine beharing op haar borststuk en achterlijf, en een zwarte kop en poten. Ze lijkt wat op een hommel, maar kan met geen enkele andere soort verward worden. De mannetjes zijn wat kleiner en slanker (10-12 mm), hebben een minder dichte beharing en zijn duidelijk herkenbaar aan hun witte baard. De mannetjes verschijnen enkele dagen eerder dan de vrouwtjes in midden maart.
Het vosje nestelt in de grond op weinig begroeide plekken in zon of halfschaduw. De nestingang is te herkennen aan het vulkaanachtig bergje van uitgegraven zand. Nesten zijn vaak in groepjes te vinden in gazons, bloembedden of gemaaide wegbermen. De soort leeft in tuinen, boomgaarden, parken en op kalkrijke graslanden, maar is ook veel in steden te zien. Het vrouwtje verzamelt stuifmeel op diverse lentebloeiers. Ze heeft een voorkeur voor ribessoorten en fruitbomen.
Jac.P. Thijsse noemde het vosje in het boek “De Bloemen en haar vrienden” de “Fluweel Graafbij”.

Ook nu weer een bij (?) die ik niet op (soort-)naam heb kunnen brengen.

Het zomerklokje is een vaste plant die behoort tot de narcisfamilie. De plant vormt een bol en heeft vier tot zes tot 40 cm lange, smalle bladeren. De bladeren zijn giftig. Het zomerklokje wordt 30-60 cm hoog en bloeit van april tot juni. De plant bloeit in de lente samen met het lelietje-van-dalen – dus niet in zomer! De bloemen van het lenteklokje en het zomerklokje lijken als twee druppels water op elkaar. Uit de bloemstengel van het lenteklokje komen één, soms twee, bolvormig knikkende bloemen, maar het zeldzamere en beschermde zomerklokje heeft meestal meer dan twee bloemen per stengel.
Groetjes,
Luit



